'ach mIw'a' DapabtaHvIS / Tao Te Tjing — w językach klingońskim i niderlandzkim

Klingońsko-niderlandzka dwujęzyczna książka

tlhaw'DIyuS

'ach mIw'a' DapabtaHvIS

Lao-Tse

Tao Te Tjing

Klingon by Agnieszka Solska

Nederlandse bewerking door John Willemsens

1

1

mIw'a'na' 'oHbe' mIw'a'Hey'e' DamaqlaHbogh.
pongna' 'oHbe' pongHey'e' DaponglaHbogh.
chal tera' je mung 'oH pong HutlhwI''e'.
wa' netlh Dol SoS 'oH pong ghajwI''e'.
reH bIneHbe'chugh potlhna'Daj Dalegh.
reH bIneHchugh veHDaj Dalegh.
rap cha'vam Hal
'ach jaS luponglu'.
bIHvaD pegh luperlu',
peghHom pegh pegh'a'
Hoch potlh lojmItna'.

Het Tao dat genoemd wordt, is niet het eeuwige Tao,
want de namen die wij noemen, zijn geen eeuwige namen.
Hemel en Aarde zijn naamloos geboren;
noemen is enkel de moeder der dingen.
Wie geen verlangens koestert, aanschouwt hun mysterie;
wie wel verlangens koestert, aanschouwt hun gedaante.
De twee zijn in wezen hetzelfde;
pas dan krijgen ze elk een eigen naam.
We zouden beide een mysterie kunnen noemen
en nog geheimzinniger is de poort aller mysteriën.

2

2

qo' HochvaD
'IHlaw' 'IHwI', moHwI' tu'lu'mo'.
QaQlaw' QaQwI', mIghwI' tu'lu'mo'.
vaj boghchuqmoH ghajHa'ghach HutlhHa'ghach je.
naQchuqmoH QatlhwI' ngeDwI' je.
chenchuqmoH tIqwI' tIqHa'wI' je.
Qutlhchuq jenwI' 'eSwI' je.
'eychuqmoH wab ghogh je.
tlha'chuq tlhop 'em je.
vaj Qu'mey law' vu' jIvHa'wI' vangbe'taHvIS,
qaQDI'norgh maq jatlhbe'taHvIS.
DaqDajDaq chep wa'netlh Dol
'ej bIH lonbe'.
chenmoH jIvHa'wI' 'ach ghajbe'.
vum 'ach naD pIHbe'.
Qu'Daj ta' 'ach chavDaj buSbe'.
chavDaj buSbe'
vaj taH chavDaj.

Het is omdat iedereen schoonheid als schoon beschouwt,
dat het lelijke bestaat;
het is omdat iedereen goedheid als goed beleeft,
dat het kwade bestaat.
Zijn en niet-zijn veroorzaken elkaar;
moeilijk en eenvoudig vergelijken zich met elkaar;
lang en kort meten zich aan elkaar;
hoog en laag onderscheiden zich van elkaar;
klank en stem vormen zich uit elkaar;
voor en na rangschikken zich naar elkaar.
Daarom handelt de wijze door niet-handelen
en verkondigt hij zonder woorden.
De tienduizend dingen ontstaan
en hij wijst geen enkele af.
Hij verbouwt ze, maar neemt er geen in bezit;
hij kweekt ze, maar laat ze vrij groeien.
Hij volbrengt zijn taak, maar eist geen genoegdoening,
en omdat hij geen genoegdoening eist,
verliest hij niet wat hem toekomt.

3

3

po'wI'pu' DanaDbe'chugh,
vaj Solbe' ghotpu'.
qubwI'mey DaSaHbe'chugh,
vaj nIHbe' ghotpu'.
tlhu'moHbogh Doch Da'angbe'chugh
vaj ngojbe' ghot tIqDu'.
qumtaHvIS jIvHa'wI'
ghot yabDu' chImmoH 'ej burghDu'chaj buy'moH.
ghot ngoQ SachHa'moH 'ej HomDu'chaj rach.
ghotpu' Sovbe'moHtaH 'ej neHbe'moHtaH
vaj SovwI'pu' vangvIpmoH.
ruchtaHvIS vangbe'chugh ghaH
lughbe' pagh.

Begunstig niet de verdienstelijken,
opdat de mensen niet gaan wedijveren.
Hecht geen waarde aan schaarse goederen,
opdat de mensen niet gaan stelen.
Toon geen begeerlijke dingen,
opdat hun harten niet onrustig worden.
De wijze bestuurt door de harten te ledigen
en de magen te vullen,
door de driften te verzwakken
en de botten te versterken.
Hij zorgt er aldus voor,
dat de mensen zonder listen of begeerte zijn,
en de sluwen zich niet wagen.
Door te handelen door niet-handelen,
heerst er vanzelf orde.

4

4

chIm mIw'a' 'ach lo'lu'DI' not natlhlu'.
wa'netlh Dol Hal 'oH; vuSbe'lu'!
HeH jej jejHa'moH.
vay' baghlu'pu'bogh baghHa'moH.
bochqu'wI' bochHa'moH.
qo' lamHom tay'moH.
So'eghchu' 'ach reH SaH.
mungDaj vISovbe'.
chenlaw'pu' 'oH chenpa' chenmoHwI''e'.

Tao is gelijk een ledig vat waaruit je onuitputtelijk schenken kunt,
Bodemloos, is het alsof het de voorouder aller dingen ware:
het verstompt zijn scherpte en ontwart de strikken,
het dooft zijn licht en wordt één
met het stof van de wereld!
Diep en vredig, schijnbaar eeuwig,
ik weet niet wiens telg het is;
misschien bestond het reeds eer de Hemelgod.

5

5

pagh'e' lumaS chal tera' je.
bIHvaD lo'laHtaHbe' wa'netlh Dol.
pagh'e' maS je jIvHa'wI'
ghaHvaD lo'laHtaHbe' nuvpu'.
SuSDeq rur chal tera' je joj.
chIm 'ach Dejbe'.
reylu'chugh reH vay' chenqa'moH.
tlhoy bIjatlhchugh tugh HoS Danatlh.
qaqmeH ghu' botlhDaq yIratlh.

Hemel en Aarde zijn niet humaan;
zij beschouwen de tienduizend dingen
als offerhonden van stro.
En de wijze is niet humaan;
hij beschouwt alle mensen als offerhonden van stro.
Hemel en Aarde zijn als een blaasbalg,
hoewel ledig, nimmer uitgeput;
wanneer hij gebruikt wordt, geeft hij opnieuw meer.
De kracht van woorden vergaat;
daarom is het beter om steeds opnieuw
tot het centrum te keren.

6

6

not Hegh ngech qa'.
ghaHvaD pegh, ghaHvaD be' ponglu'.
peghvaD, be' lojmItvaD
chal tera je Hal ponglu'.
reH taH, mevbe'.
lo'lu'chugh, Qopbe'.

Onsterfelijk is de geest van het dal;
men noemt haar de wonderlijke vrouw;
haar poort, het beginsel van Hemel en Aarde,
geeft voortdurend, misschien sinds eeuwig;
put eruit en ze blijkt onuitputtelijk.

7

7

taH chal, ruHa' tera'.
chay' Dotlhvam luchavlaH?
bIHvaD yInbe' vaj yIntaH.
vaj 'emDaq ratlh jIvHa'wI'
'ach tlhopDaq ghaHchoH.
SaH'eghbe'mo', SaHtaH.
ngoQDaj SaHbe'mo' ngoQDaj chav'be'a'?

De Hemel is blijvend en de Aarde duurzaam;
ze zijn blijvend en duurzaam,
omdat ze niet voor zich bestaan.
Daarom kunnen ze voor lange tijd bestaan.
Zo ook plaatst de wijze zich achter,
maar blijft toch op de voorgrond;
hij verwijdert zich, maar blijft toch aanwezig.
Is het niet omdat hij geen eigenbelang koestert,
dat aan zijn belangen wordt voldaan?

8

8

bIQ rur potlh nIv'e'.
wa'netlh Dol chepmoH bIQ 'ej qaDbe'.
Daq 'eS'e' vuvHa'bogh nuv ghoS.
vaj mIw'a' rurchoH.
DaqDajmo' nIv juH.
Qubchu'mo' nIv yab.
wIHHa'mo' nIv qoch.
vItmo' nIv mu'.
maymo' nIv qum.
vaQmo' nIv Qu'.
vangmeH poH lughmo' nIv ta'.
ghoHbe'lu'chugh pIchbe'lu'.

De verheven mens is gelijk water.
Water is goed:
het begunstigt de tienduizend dingen
en wedijvert niet met ze;
het verblijft op lage plekken, die de mensen verfoeien.
Daarom lijkt het zoveel op Tao.
In zijn wonen, houdt hij van de aarde;
in zijn hart, houdt hij van de ernst,
in zijn verbonden, van menselijkheid,
in zijn woorden, van trouw.
In zijn regeren, houdt hij van orde,
in zijn zaken, van bekwaamheid,
in al zijn handelen, van tijdigheid.
Omdat hij niet wedijvert, is er niets op hem aan te merken.

9

9

tlhoy 'un Datebchugh.
bImevchu'pu'be'mo' bIpay.
'etlh Dajejqu'chugh
vaj jejtaHbe'.
vaSlIjDaq naghboch law' DavI'chugh
vaj Da'avlaHbe'.
mIpmo' patlhmo' je bIHemchugh
vaj bIlu'eghmoH SoH'e'.
rInDI' Qu'lIj yItlheD.
'u' mIw 'oH mIwvam'e'.

Een kom tot de rand gevuld, kun je niet dragen;
het is beter om op tijd te stoppen.
Blijf een zwaard wetten en het zal zijn scherpte weer verliezen.
Wanneer goud en jade je hal vullen, kun je ze niet langer bewaken.
Eer en rijkdom brengen de trots, die je doet struikelen.
Te stoppen wanneer het werk gedaan is, is de Weg van de Hemel.

10

10

qa' Duj je Datay'moHtaHvIS
Datay'moHlaHtaH'a'?
tlhuH DaSeHtaHvIS 'ej DatunmoHtaHvIS
ghu DarurchoHlaH'a'?
yab mIn DaSay'moHtaHvIS 'ej DanItmoHtaHvIS
DaHuvmoHlaHchu''a'?
ghot DaQorghtaHvIS 'ej Sep Dache'taHvIS
bInISbe'laH'a'?
poSDI' San lojmIt 'ej SoQDI'
be' DaDalaH'a'?
'u' Hoch HotlhDI' yablIj 'ej nuDDI'
bIjIvlaHtaH'a'?
yInmoHlu' 'ej je'lu',
chenmoHlu' 'ach ghajbe'lu',
vumlu' 'ach naD pIHbe'lu',
Devlu' 'ach ghatlhbe'lu',
ghobvamvaD ghob nIv ponglu'.

Kun je jezelf bewaren en het Ene omhelzen,
zonder één te verlaten?
Kun je je krachten verzamelen
en je kinderzwakte behouden?
Kun je je inzichten verfijnen
en de waarheid blijven spiegelen?
Kun je van de mensen houden
en de staat zonder sluwheid regeren?
Kun je de poorten van de Hemel
gelijk een vrouw openen en sluiten?
Kun je zonder bemoeienis begrijpen,
zonder bemoeienis doorgronden?
Te verbouwen en te kweken,
te verbouwen, maar niet in bezit te nemen,
te kweken, maar vrij te laten groeien,
te leiden, maar niet te heersen,
dit is de wonderlijke deugd.

11

11

rutlh botlhDaq muvchuq wejmaH rutlh naQHom;
chImmo' botlhDaj lI' rutlh.
bal DIchenmoHmeH lam yIQ wItap;
chImmo' qoDchaj lI' bal.
juH reDDaq lojmIt Qorwagh je DIpe';
chImmo' 'ay'meyvam lI' juH.
vaj vay' lughajmo' Doch lo'laH,
vay' luHutlhmo', lI'.

Dertig spaken rond een naaf geplaatst, maken het wiel,
doch de leegte van de naaf bepaalt zijn bruikbaarheid.
Klei wordt gekneed om een kom te vormen,
doch de leegte van de kom bepaalt haar bruikbaarheid.
Deuren en ramen worden in een kamer gesneden
en het is hun leegte, die hun bruikbaarheid bepaalt.
Haal daarom voordeel uit wat is,
maar zie het nut van wat niet is.

12

12

mIn leghHa'moH rItlh nguvqu'.
teS QoyHa'moH wab chuSqu'.
jat mumHa'moH Soj tlhorghqu'.
yab QubHa'moH chon 'Iqqu'.
tIq jotHa'moH mIp 'Iqqu'.
vaj DujDaj voq jIvHa'wI', mInDaj voqHa'.
DujDaj qIm, mInDaj qImHa'.

De vijf kleuren maken de ogen blind;
de vijf tonen maken de oren doof;
de vijf smaken bederven de tong.
Wedrennen en jagen maken de mensen gek.
Schaarse goederen belemmeren hun gang.
Daarom besteedt de wijze aandacht aan de buik
en niet aan de ogen.
Daarom doet hij het ene niet en wel het andere.

13

13

ghIj naD naDHa'ghach je.
tay' quv 'oy''a' je.
qatlh ghIj naD naDHa'ghach je?
naDmo' maQIv.
wInaDlu'DI' nughIj wanI'.
wInaDHa'lu'DI nughIj je wanI'.
vaj ghIj naD naDHa'ghach je.
qatlh tay' quv 'oy''a' je?
jISaH'eghmo' jI'oy'.
jISaH'eghbe'chugh chay' vI'oy'moHlu'?
bIvuv'eghchugh, qo' Davuvchugh je
qo' DaQorghrup.
bISaH'eghchugh, qo' DaSaHchugh je
qo' DaSeHrup.

Wees op je hoede wanneer je gunst
of beschaming ondergaat;
beschouw eer en tegenspoed met
dezelfde ernst als je lichaam.
Waarom op je hoede zijn,
wanneer je gunst of beschaming ondergaat?
Gunst kan de mindere van beide zijn.
Wees daarom op je hoede wanneer je ze ontvangt
en wanneer je ze verliest.
Dit wordt bedoeld met op je hoede te zijn,
wanneer je gunst of beschaming ondergaat.
Wat wordt bedoeld met eer en tegenspoed
met dezelfde ernst als je lichaam beschouwen?
De reden waarom ik tegenspoed onderga,
is dat ik een lichaam heb;
zou ik geen lichaam hebben,
welke tegenspoed zou ik kunnen ondergaan?
Daarom kunnen wij aan degene,
die de wereld gelijk zijn lichaam acht,
de leiding van de staat toevertrouwen,
aan degene, die van de wereld
zoals van zijn lichaam houdt,
de zorg voor de staat toevertrouwen.

14

14

yIbej! 'oH leghlaH pagh;
HuvHa'wI' ponglu'.
yI'Ij! 'oH QoylaH pagh;
chuSHa'wI' ponglu'.
yIHot! 'oH 'uchlaH pagh;
SubHa'wI' ponglu'.
wejvam nuDlaHbe' vay'.
wa' lumoj, tay'.
wovbe' 'oH Dung.
Hurghbe' 'oH bIng.
taH 'oH,
mevbe',
ponglu'meH DuHbe',
pagh'a' mojqa'.
wanI' oH 'ach qaSbe'.
Dol 'oH 'ach chenbe'.
jonlu'meH DuHbe'; QIb rur.
Hotlu'meH DuHbe'; SeS rur.
yIqaD! qab ghajbe'.
yItlha'! Dub ghajbe'.
mIw'a' tIQ Dajonchugh
DaHjaj qo' Dache'laH.
mung tIQ DaSovchugh
mIw'a' potlhna' DaSov.

Omdat we ernaar kijken en niet zien,
wordt het onzichtbaar genoemd;
omdat we ernaar luisteren en niet horen,
wordt het onhoorbaar genoemd;
omdat we ernaar reiken en niet treffen,
wordt het ontastbaar genoemd;
omdat we de drie niet verder kunnen onderzoeken,
worden ze als één gezien.
Omhoog geen schittering, geen duister bij de val,
eeuwig en oneindig, onnoembaar,
gaat het terug naar waar niets is.
Men noemt het vorm zonder vorm, beeld zonder iets.
Men noemt het onbepaald en ongrijpbaar;
ga het tegemoet en je ziet geen voor,
volg het en je ziet geen achter.
Hou daarom vast aan het Tao van eer
om het heden te bedwingen;
te weten hoe het sinds den beginne was,
noemt men de leidraad van Tao.

15

15

val 'ej bejchu' mIw'a' lupabbogh tIQwI'pu''e'.
peghqu' Sovchaj; yajlu'meH DuHbe'.
chaH luDellu'meH mu' qar tu'lu'be.'
Hoj, bIQtIq taDDaq jaHbogh nuv luDa.
Dugh, jaghmey Hajbogh nuv luDa.
DochHa', meb lurur.
HeDrup, tetchoHbogh chuch lurur.
nap, Sor Hap pe'be'lu'pu'bogh lurur.
poSqu', ngech lurur.
HuvHa', bIQ watlhHa' lurur.
bIQ watlhHa' jotmoHmo' nItmoHlaH 'Iv?
vIHbe'wI' vangmoHmo' yInmoHlaH 'Iv?
mIw'a' pabchugh vay' buy'choH neHbe'.
vaj QopchoHlaH 'ach chu'nISqa'be'.

De meesters van weleer waren heel mysterieus en doordringend,
hun inzichten te diep om te begrijpen.
En omdat ze niet te begrijpen zijn, is dit wat men hen noemde:
Omzichtig, zoals je een bevroren beek in de winter oversteekt,
schuchter, alsof er gevaar van alle kanten dreigde;
ingetogen, als een gast,
gewoon, als ongesneden hout;
meegaand, als smeltend ijs,
ontvankelijk, als een dal,
troebel, als een modderpoel.
Maar wie kan als het troebele water door zich stil te houden
uit zichzelf geleidelijk weer helder worden?
Wie kan vanuit de stilte uit zichzelf
geleidelijk weer tot leven komen?
Hij die deze Tao bezit, wil zich niet tot overlopen vullen;
omdat hij niet vervloeien zal, wordt hij nimmer minder,
behoeft hij nimmer vernieuwing!

16

16

yIchIm'eghmoHchu'.
yIjotchu'taH.
nItebHa' chen wa'netlh Dol.
cheghtaHvIS vIlegh.
chep Hoch, ghIq tatlh'egh.
tatlh'eghchoH vay' vaj ngojHa'.
ngojHa'choH vay' vaj yInqa'.
ru'Ha'wI' 'oH yInqa'ghach'e'.
ru'Ha'wI' Sovlu'chugh jIvHa'lu'.
ru'Ha'wI' Sovbe'lu'chugh Qugh qaSmoHlu'.
ru'Ha'wI' DaSovDI' Hoch Dalaj.
Hoch DalajDI' bImay.
bImayDI' voDleH DaDa.
voDleH DaDaDI' 'u' Dapab.
'u' DapabtaHvIS mIw'a' Dapab.
mIw'a' DapabtaHvIS reH bItaH.
bIyIntaHvIS DaQIHbe'lu'.

Voorwaar, bereik de uiterste leegte en behoud standvaste stilte.
De tienduizend dingen komen tot leven en dan zie je ze weer terugkeren;
alle dingen komen tot bloei en dan keert elk naar zijn wortels.
Deze terugkeer betekent rust, terugkeer naar zijn lot.
Men noemt de terugkeer het eeuwige en het eeuwige kennen verlichting,
het eeuwige niet kennen blindheid, dat tot rampspoed leidt.
Wie het eeuwige kent, is alomvattend,
alomvattend, daarom zonder voorkeur,
zonder voorkeur, daarom verheven,
verheven, daarom één met het grote.
Omdat hij één met het grote is, is hij volgens Tao,
en omdat hij volgens Tao is, is hij eeuwig;
het vergaan van zijn lichaam houdt geen gevaar in.

17

17

DevwI' nIv'e', chaH lutu'lu' 'e' neH luSov nuvpu'.
veb che'wI' muSHa'bogh 'ej naDbogh.
veb che'wI' Hajbogh.
veb che'wI' vuvHa'bogh.
voqbe'chugh vay', ghaH voqbe'lu'.
mu'mey law' jatlhbe' DevwI' nIv.
Qu'Daj chavDI', ta'Daj rInmoHDI',
jatlh Hoch: "wIta'pu' maH'e'".

Van de beste heerser weet je enkel dat hij bestaat;
de op een na de beste wordt geliefd en geëerd;
de volgende wordt gevreesd;
de daaropvolgende wordt veracht.
Het is wanneer je geen vertrouwen in anderen hebt,
dat de anderen geen vertrouwen hebben.
De beste heerser is heel zuinig met zijn woorden;
hij vervult zijn taak, voltooit zijn werk,
en het volk zegt, dat het vanzelf gebeurde.

18

18

mIw'a' lIjlu'DI'
wIHHa'wI' maywI' je lutu'lu'.
vallu' 'ej HaDlu' net taghDI'
tojwI''a' lutu'lu'.
qorDu' SolmoHlu'DI'
muSHa'bogh puq, vav, SoS je lutu'lu'.
Sep Dotlh mujmoHlu'DI'
qum toy'wI' matlh lutu'lu'.

Het was toen het grote Tao in verval raakte,
dat menselijkheid en rechtschapenheid ontstonden;
het was toen geleerdheid en kennis ontstonden,
dat grote hypocrisie ontstond;
het is wanneer de zes familieverbanden in onvrede raken,
dat kinderplicht en ouderliefde worden geprezen;
het is wanneer de staat in wanorde raakt,
dat trouwe dienaars worden geëerd.

19

19

bInIv 'e' Damevchugh, bIval 'e' DalIjchugh
vaj chepqu'choH ghotpu'.
bIwIHHa' 'e' Damevchugh, bImay 'e' DalIjchugh
vaj muSHa'chuqqa' tuqnIghpu'.
bI'ong 'e' Damevchugh, bIqur 'e' DalIjchugh
vaj nIHbe'choH 'ej Hejbe'choH ghotpu'.
'ach paQDI'norgh luchenmoHmeH
naQHa' wejvam'e'.
'ut latlh potlh; chelnISlu'bej:
bInItnIS, bInapnIS;
Sor Hap pe'be'lu'pu'bogh DarurnIS.
ngoQ DaghoSbogh DavuSnISmoH.
vay' DaneHbogh DapuSnISmoH.

Leg af de geleerdheid en verwerp de kennis
en de mensen worden er honderdmaal beter van;
leg af de menselijkheid en verwerp de rechtschapenheid
en de mensen zullen kinderplicht en ouderliefde hervinden;
leg af het vernuft en verwerp het voordeel
en de mensen zullen niet langer roven.
Deze drie zijn dus uiterlijkheden, die niet voldoen.
Meer houvast bieden het gewone te tonen en de eenvoud te betrachten,
en aldus de hebzucht te verkleinen en de begeerten te verminderen.

20

20

bIHaD 'e' Damevchugh vaj bISotbe'.
pIm'a' "HIja'" "ghobe'" je?
nIb'a' QaQwI' mIghwI' je?
vay'e' luHajbogh latlh vIHajnIS'a'?
taH mIS; not mevchoHba'.
Dat Quch nuvpu'; Quchqu'.
yupma' lopwI' Da, DorDI' poH bIr.
lopno' jeSwI' Da, taghDI' 'uQ'a'.
jIvangbe' jIH neH 'ej pagh vI'ang
'ej wej monlaHbogh ghu vIrur.
mutlhej pagh'e'; jItatlh'eghlaHbe'.
vay' 'Iq lughaj latlh nuv,
pagh vIghaj jIH neH.
qoHna' jIHlaw'; jImISchu'.
wov latlh nuv; wovqu'.
jIHurgh jIH neH, jIHurghqu'.
val latlh nuv; valqu'.
jIqetlh jIH neH; jIqetlhqu'.
ngojtaHbogh bIQ'a' vIDa.
mevbe'bogh SuS'a' vIDa.
ngoQmeychaj buS latlh nuv.
ngoQ vIHutlhlaw', jIDoghlaw' jIH neH.
jInov jIH neH; latlhpu' vIrurbe'.
SoS Soj vISop; muje' SoS neH.

Voorwaar, leg af geleerdheid en er zal geen verdriet volgen!
Dat ja zeker van jawel verschilt;
dat dit goed en dat verkeerd is;
dat je moet vrezen wat de mensen vrezen...
helaas is van deze dwalingen het einde nog niet in zicht,
en de mensen zijn vrolijk als bij een offerfeest,
als bij het beklimmen van de kijktoren in de lente.
Ik alleen sta teruggetrokken zonder teken van verlangens,
als een kind dat nog niet gewezen heeft,
lusteloos, alsof ik geen tehuis had.
De mensen bezitten van alles voldoende
en het is alsof ik alles verloren had.
De mijne is waarlijk de geest van een onontwikkeld mens,
zonder enige kijk en traag.
De gewone mensen schitteren waarlijk;
ik alleen blijf in het donker.
De gewone mensen kunnen onderscheiden en zijn zelfverzekerd;
ik alleen heb geen voorkeur.
Het is alsof ik als de drijvende zee ware,
of de wind, schijnbaar doelloos;
de mensen allen hebben een doel.
Ik alleen schijn hardleers en onbeholpen;
ik alleen ben anders dan anderen
en waardeer het voedsel van de Moeder.

21

21

mIw'a' neH pablu'DI' ghob'a' toblu'.
mIw'a' Dellu'meH nuq jatlhlu'?
QIb rur mIw'a'; jonlu'meH DuHbe'.
SeS rur; Hotlu'meH DuHbe'.
QIb rur; jonlu'meH DuHbe' 'ach qech ngaS.
SeS rur; Hotlu'meH DuHbe' 'ach Dol ngaS.
pegh 'ej HuvHa' 'ach qa' ngaS.
qaStaHvIS 'u' poH
pongDaj lojbe'moH.
vaj Hoch Dolmey mung wInuDlaH.
chay' Hoch Dolmey mung vISov?
*jISummo' vISov.
*{jISummo'}: A reference to the idiomatic philosophical sense of {jISum}, which can be used to indicate
"I'm in touch with my inner self." (Cf. interview with Marc Okrand, HolQeD 7/4; p.11)

De alomvattendheid van de grote deugd komt enkel van Tao,
en wat wij Tao noemen is ongrijpbaar en onbepaald.
In het is onbepaald en ongrijpbaar het beginsel;
in het zijn ongrijpbaar en onbepaald de dingen.
In het is ondoorgrondelijk de kracht;
de kracht is heel echt; die kun je zien.
Tot ver terug in de tijd is haar werking onveranderd;
zo kan ik tot het begin aller dingen doordringen.

22

22

bIDuy'chugh vaj bInaQchoH.
bISaSchugh vaj bIchongchoH
bIchImchugh vaj bIbuy'choH.
bIQopchugh vaj bIchu'choH
vay' puS Daghajchugh vaj bISuqchoH.
vay' law' Daghajchugh vaj bImISchoH.
vaj wa'na' buS jIvHa'wI'
'ej qo' HochvaD DevwI' Da.
'ang'eghbe'mo' boch.
lugh 'e' qapbe'mo' noy.
mIybe'mo' Qap.
naD'eghbe'mo' taH.
pagh'e' qaDmo' ghaH,
ghaH'e' qaDlaH pagh.
jatlhpu' tIQwI':
"bIDuy'chugh vaj bInaQchoH".
lo'laHbe''a' mu'meyvam?
bInaQchu'chugh DughoSchoH Hoch.

Hoe kan ik weten dat het begin aller dingen zo was?
Aldus:
wat toegeeft, behoudt zich heel;
wat buigt, wordt weer recht;
wat leeg is, vult zich weer;
wat verbruikt is, wordt weer nieuw.
Wat te weinig heeft, zal verwerven,
wat teveel heeft, verdolen.
Daarom omhelst de wijze het Ene en gedraagt zich als de Wereld.
Hij treedt niet op de voorgrond en daarom verkrijgt hij licht.
Hij rechtvaardigt zich niet en daarom verkrijgt hij aanzien.
Hij beroemt zich nergens op en daarom verkrijgt hij vertrouwen.
Hij overdrijft niet en daarom verkrijgt hij duurzaamheid.
Omdat hij niet wedijvert, zal niemand het tegen hem opnemen.
Is de oude zegswijze „toe te geven, is zich heel behouden“ loos gepraat?
Voorwaar, hij zal behouden blijven en wat hem toekomt,
zal naar hem toekomen.

23

23

jatlhbej 'u' 'ach pIjHa' jatlh:
qaStaHvIS po Hoch taHbe' SuS'a'.
qaStaHvIS pem Hoch taHbe' SIS'a'.
bIH qaSmoH nuq?
chal tera' je.
ta'meychaj taHmoHlaHbe'chugh chal tera' je
chay' ta'meychaj taHmoHlaH nuv?
vaj mIw'a' Dapabchugh mIw'a' DarurchoH.
ghob Dapabchugh ghob DarurchoH.
mIw'a' Dalonchugh DalonchoHlu'.
mIw'a' rurbogh vay''e'
lajqang mIw'a'.
ghob rurbogh vay''e'
lajqang ghob.
vay''e' lonlu'pu'bogh
lajqang lonpu'ghach.
voqbe'bogh vay' voqbe'lu'.

De Natuur heeft weinig woorden nodig;
een wervelwind duurt niet de hele morgen,
stortregen niet de hele dag.
Wat veroorzaakt ze, dan de Natuur zelve?
Als Hemel en Aarde ze niet langer kunnen laten duren,
nog minder kan dit de mens.
Wie Tao volgt, is daarom één met Tao;
wie zijn deugd volgt, is één met zijn deugd;
wie Tao verlaat, is één met het verlaten van Tao.
Wie één met Tao is,
wordt graag door Tao onthaald;
wie één met zijn deugd is,
wordt graag door zijn deugd onthaald.
Wie één met het verlaten van Tao is,
wordt graag door Tao verlaten;
het is wanneer je geen vertrouwen in anderen hebt,
dat de anderen geen vertrouwen hebben.

24

24

yaDDu'Daq Qamchugh vay' Qamchu'be'.
pe'vIl yItchugh vay' yItchu'be'.
'ang'eghchugh vay' bochbe'.
lugh 'e' qapchugh vay' noybe'.
mIychugh vay' Qapbe'.
naD'eghchugh vay' taHbe'.
mIw'a' pabwI'vaD 'up.
Soj chuv, Qu' lo'laHbe' joq rur.
vay'vam DoH mIw'a' nuv.

Wie op zijn tenen staat, valt om;
wie wijdbeens loopt, komt niet ver.
Wie zich voordringt, wordt niet belicht;
wie zich rechtvaardigt, verliest zijn aanzien;
wie zich beroemt, wordt niet geloofd;
wie overdrijft, volbrengt niet.
Gezien vanuit Tao, is dit alles als vuilnis,
als de zwerende wonden die alle wezens verafschuwen;
wie Tao bezit, keert zich er van af.

25

25

Hoch ngaSbogh vay' naQ'e' tu'lu'.
chenpa' chal tera' je boghpu'.
chuSHa' 'ej chIm.
mob, choHbe'.
ghoS, mevbe'.
'u' SoS 'oHlaw'.
pongDaj vISovbe'mo' mIw'a' vIpong.
vIpong 'e' raDchugh vay' nIvwI' vIpong.
nIvmo' Dat SIch.
Dat SIchmo' Dat ghoS.
Dat ghoSmo' tatlh'egh.
nIvbej mIw'a'.
nIv 'u'.
nIv tera'.
nIv je nuv Segh.
'u'Daq nIv loSvam'e'.
nIv je nuv Segh'e'.
tera' chut pab nuv.
'u' chut pab tera'.
mIw'a' chut pab 'u'.
mIw'a' chut pab je mIw'a'.

Nog voor Hemel en Aarde er waren,
was er iets vermengd en onverdeeld,
geluidloos en vormloos, onafhankelijk en onveranderlijk,
dat overal komt en geen gevaar loopt;
het wordt als de moeder aller dingen gezien.
Ik weet zijn naam niet; ik noem het Tao.
Moet ik het beschrijven, noem ik het Groot;
groot betekent alomtegenwoordig,
alomtegenwoordig betekent verreikend,
verreikend betekent dat het terugkeert.
Daarom is Tao groot.
En de Hemel is groot,
en de Aarde is groot,
en de edele mens is groot.
Er zijn vier grote dingen in het bestaan
en de edele mens is daar één van.
Want de edele richt zich naar de Aarde,
de Aarde richt zich naar de Hemel,
de Hemel richt zich naar Tao,
en Tao richt zich naar zichzelf.

26

26

'ughHa'ghach QutlhwI' 'oH tISHa'ghach'e'.
Do che'wI' 'oH jottaHghach'e'.
vaj pem Hoch lengtaHvIS
not tepDaj lon jIvHa'wI'.
Daqmey 'IH leghtaHvIS
SaHbe' 'ej jottaH.
SaghHa''eghmoH'a'
wa'netlh Duj che'wI'?
SaghHa'chugh QutlhwI' ghajtaHbe'.
tlhoy moDchugh che'wI' ghaHtaHbe'.

Het zware is de wortel van het lichte,
de bestendigheid de heer van de voortgang.
Daarom maakt de edele verre reizen
zonder zich van zijn bepakking te ontdoen,
en blijft hij rustig en onbewogen
bij het aanschouwen van prachtige uitzichten.
Hoe zou de heer van tienduizend voertuigen
zich luchthartig in zijn rijk kunnen gedragen?
Als hij luchthartig zou zijn, dan zou hij zijn dienaren verliezen;
als hij zich zou haasten, dan zou zijn meesterschap verloren gaan.

27

27

yItmeH po'chugh nuv
yav ghItlhbe'.
jatlhmeH po'chugh nuv
jatlhHa'be'.
toghmeH po'chugh nuv
pe''eghnISbe'.
SoQmeH po'chugh nuv
ngaQmoHwI' lo'be'
'ach vay''e' SoQmoHbogh ghaH
poSmoHlaH pagh.
baghmeH po'chugh nuv
tlhegh lo'be'
'ach vay''e' baghbogh ghaH
baghHa'moHlaH pagh.
vaj reH nuv QorghmeH po' jIvHa'wI'
'ej pagh nuv lon.
reH Doch QorghmeH po'.
'ej pagh Doch lon.
mIwvamvaD ponglu':
wovwI' pabtaHlu'.
nuv QaQbe' ghojmoHwI' ghaH nuv QaQ'e'.
nuv QaQ jo ghaH nuv QaQbe''e'.
ghojmoHwI'Daj vuvbe'chugh vay'
'ej joDaj SaHbe'chugh,
chaq val ghaH 'ach mISqu'.
potlhvamvaD pegh potlhna' ponglu'.

Een goed reiziger laat geen sporen na;
een goed redenaar spreekt smetteloos;
een goed rekenaar gebruikt geen telraam.
Een goed gesloten deur behoeft geen grendel,
want niemand zal hem openen.
Een goed gelegde knoop behoeft geen koord,
want niemand zal hem losmaken.
Zo ook is de edele een goed redder van mensen,
want hij laat geen enkel mens achter.
Hij is een goed redder van alle wezens,
want hij wijst geen enkel wezen af.
Dit noemt men het licht te verdubbelen.
De goede is de leraar van zijn minderen
en de minderen zijn de leerstof van de goede.
Wie geen achting voor de leraar heeft,
of geen waarde aan de leerstof hecht,
is ver verdwaald ondanks zijn geleerdheid.
Dit is het meest wezenlijke geheim.

28

28

loD DujlIj yIghov
'ach be' DujlIj yIchoq,
'ej qo'vaD 'och yIDa.
qo'vaD 'och DaDaDI'
not loj ghobna'lIj,
'ej ghu Dotlh Dachavqa'.
DujlIj wov yIghov
'ach DujlIj Hurgh yIchoq,
'ej qo'vaD DevwI' yIDa.
qo'vaD DevwI' DaDaDI'
not QapHa' ghobna'lIj,
'ej Dotlh vuSbe'lu'bogh Dachavqa'.
DujlIj quv yIghov
'ach DujlIj quvHa' yIchoq,
'ej qo'vaD ngech yIDa.
qo'vaD ngech DaDaDI'
yapchoH ghobna'lIj,
'ej Sor Hap pe'be'lu'pu'bogh Dotlh nap Dachavqa'.
Sor Hap wavlu'chugh naQ moj Sor Hap.
naQ lo'chugh jIvHa'wI' che'wI' 'aH moj naQ.
naQmoH che'wI''a'; wavbe' ghaH.

Wie de man kent en de vrouw behoudt,
wordt het ravijn van de wereld;
wanneer hij het ravijn van de wereld is,
zal hij de eeuwige deugd vinden
en terugkeren naar zijn kinderlijkheid.
Wie het witte kent en het zwarte behoudt,
wordt een voorbeeld voor de wereld;
wanneer hij een voorbeeld voor de wereld is,
zal hij niet van de eeuwige deugd afdwalen
en terugkeren tot het beginsel.
Wie de roem kent en zijn nederigheid behoudt,
wordt het diepe dal van de wereld;
wanneer hij het diepe dal van de wereld is,
zal hij meesterschap in de eeuwige deugd verkrijgen
en worden als ongesneden hout.
Ongesneden hout wordt tot gerei en voertuigen gesneden;
wanneer de wijze die gebruikt,
wordt hij de hoogste onder de edelen,
want diegene die het minst snijdt,
is de grootste heerser.

29

29

qo' chargh 'ej SIgh neHchugh vay'
ngoQvam chavbe' 'e' vItu'.
Dol pup 'oH qo''e'.
'oH SIghmeH DuHbe'.
qo' SIghchugh vay' qo' Qaw'.
qo' 'uchchugh vay' qo' chIl.
toH, Dolmey'e':
Dev 'op 'ej tlha' 'op,
tujmoH 'op 'ej bIrmoH 'op,
HoSchoH 'op 'ej pujchoH 'op,
Sach 'op 'ej Dej 'op.
vaj 'IqwI' lajQo' jIvHa'wI',
napHa'wI' lajQo',
'utHa'wI' lajQo'.

Wanneer men het rijk wil bemachtigen
en naar de hand wil zetten,
zal het niet gelukken.
Het rijk is een geestelijk iets,
dat je niet naar de hand kunt zetten.
Wie er aankomt, schaadt het;
wie het vasthoudt, verliest het.
Van alle wezens op aarde gaan sommige voor,
andere achter;
sommige hebben een hete adem, andere koud;
sommige zijn sterk, andere zwak;
sommige breken, andere vallen.
Daarom ontdoet de wijze zich van uitersten,
van het buitensporige en het overdrevene.

30

30

che'wI' boQDI' mIw'a' pabwI'
qo' charghmeH QI' lo'be' che'wI'
'e' qeS.
ngochvammo' QIH'eghlu'bej.
mangghom raQDaq law'choH naHjej.
Harghlu'pu'DI' yobHa'choHlu'.
ngoQ DachavDI' yImev.
'ej HoSlIj yIghongQo'.
ngoQlIj yIchav 'ach yInaD'eghQo'.
ngoQlIj yIchav 'ach yImIychoHQo'.
ngoQlIj yIchav 'ach yIHemchoHQo'.
ngoQlIj yIchav 'ach yISuqchoHQo'.
ngoQlIj yIchav 'ach yIralchoHQo'.
tlhoy Sachchugh vay' Dejbej.
mIw'a' 'oHbe' mIwvam'e'.
mIw'a' pabHa'chugh vay' tugh Sab.

Wie de heerser met Tao helpt,
zal de wereld niet met geweld trachten te overheersen;
het gebruik van geweld brengt altijd terugslag;
waar legers zetelen, groeien doornen en distels;
grote oorlogen worden gevolgd door hongersnood.
Een goed aanvoerder bereikt zijn doel en stopt,
en tracht de wereld niet te overheersen.
Hij bereikt zijn doel, maar gaat er niet prat op;
hij bereikt zijn doel, maar beroemt zich er niet op;
hij bereikt zijn doel, maar is er niet trots op;
hij bereikt zijn doel, omdat er geen andere weg was.
Hij bereikt zijn doel, maar tracht niet te overheersen,
want dingen die hun hoogtepunt bereiken,
luiden hun eigen verval in;
zulks is tegen Tao en wat tegen Tao is,
sterft uit.

31

31

maQmIgh bIH nuH vaQ'e'.
bIH muSlaw' Dochmey.
vaj bIH jun mIw'a' nuv.
qaStaHvIS roj poS maS valwI'.
qaStaHvIS veS nIH maS.
maQmIgh bIH nuH'e'.
valwI' jan bIHbe'.
nuH lo' valwI' lo'nISchugh neH
'ach nongchoHbe'.
yay chavchugh ghaH
yayDaj tIvbe'.
yay tIvchugh vay'
ghot HoH tIv je.
HoH tIv chugh vay'
ngoQ chavlaHbe'.
tay Quch loplu'DI' Daq quv Da poS.
tay 'IQ loplu'DI' Daq quv Da nIH.
veS tay loplu'DI' nol tay rur 'oH:
poSDaq Qam Sa';
nIHDaq Qam la'quv.
nuv law' luHoHlu'DI' SaQnIS 'IQwI'pu'.
veS yay loplu'DI' nol rurnIS lopno'.

Ook de fijnste wapens zijn het werktuig van het kwade
en worden door alle wezens gehaat;
wie Tao bezit, keert zich van ze af.
Een goed heerser eert de linkerzijde,
enkel in oorlogstijd de rechter,
want wapens zijn het werktuig van het kwade,
niet het werktuig van een goed heerser.
Wanneer hij aan het gebruik ervan niet ontkomen kan,
zal hij terughoudendheid betrachten;
wanneer hij een overwinning behaalt,
beschouwt hij het niet als lofwaardig.
Want de overwinning prijzen,
is zich in de slachting van mensen verheugen,
en wie zich in de slachting van mensen verheugt,
zal niet slagen in het rijk.
In gunstige zaken wordt de linkerzijde,
in ongunstige zaken de rechter geëerd.
Daarom staat de mindere aan de linkerzijde
en de aanvoerder aan de rechter,
zoals bij begrafenissen.
Bij de slachting van mensen,
mogen wij wenen van verdriet;
bij het behalen van een overwinning,
mogen wij rouwdiensten houden.

32

32

reH pong Hutlh mIw'a'.
nap; Sor Hap pe'be'lu'pu'bogh rur vaj ramlaw'
'ach qo' HochDaq 'oH ra'laH pagh.
lupablaHchugh ta' joH je
chaH vanchoH wa'netlh Dol.
tay'choH chal tera' je
'ej SISchoH bIQHom tun.
jIjchoH nuvpu'
'ej chut lupoQbe'.
bIpe'choHchugh, bIche'choHchugh
vaj narghchoH pongmey.
law'qu'chugh pongmey bIwavtaH 'e' yImev.
bIQ'a' lughoSbogh bIQtIq'e' rur qo' mIw'a'.

Tao is eeuwig en heeft geen naam;
zijn eenvoud lijkt onbeduidend, maar niemand daagt het uit.
Als koningen en prinsen zich aan Tao hielden,
zouden alle dingen zich onderwerpen;
Hemel en Aarde gaan samen om zoete dauw te maken
en zonder mensenhand vallen de dauwdruppels over alles.
Zodra er regels en structuren waren, waren er namen;
zodra er namen zijn, weet dat je moet stoppen!
Als je weet wanneer te stoppen, loop je geen gevaar.
De wereld is tot Tao zoals de beken en rivieren,
die terug naar zee vloeien.

33

33

val latlh Sovbogh nuv'e'.
jIvHa' Sov'eghbogh nuv'e'.
HoS lughaj latlh charghbogh nuv'e'.
HoSghaj chargh'eghbogh nuv'e'.
mIp yonbogh nuv'e'.
ngoQ lughaj pe'vIl Duvbogh nuv'e'.
taH yaH choSbe'bogh nuv'e'.
yIntaH Heghbogh 'ach lojbe'bogh nuv'e'.

Wie anderen kent, is wijs;
wie zichzelf kent, is verlicht.
Wie anderen overwint, is krachtig;
wie zichzelf overwint, is sterk;
wie tevreden is, is rijk.
Wie optreedt, heeft wilskracht,
wie zijn plaats behoudt, duurzaamheid;
wie doodgaat maar niet sterft, heeft een lang bestaan.

34

34

SoD Da mIw'a'.
poS nIH je ghoSlaH.
yInmeH luwuv wa'netlh Dol
'ej bIH lonbe'.
Qu'Daj ta' 'ach naD DoQbe'.
wa'netlh Dol yoD 'ej je'
'ej pIn'a'chaj Dabe'.
reH vangqangbe' vaj ramlaHlaw'.
'ach 'oHDaq chegh wa'netlh Dol
'ej pIn'a'chaj Dabe',
vaj nIvlaHlaw'.
nIv 'e' nIDbe' je jIvHa'wI'
vaj Dotlh nIv chavlaH.

Het grote Tao vloeit overal, naar links en naar rechts;
alle dingen zijn er voor hun leven van afhankelijk
en het wijst geen enkele af.
Het volbrengt zijn taak, maar eist geen genoegdoening;
het kleedt en voedt alle dingen, maar eist geen onderwerping.
Immer verlangeloos, kunnen wij het waarlijk het Kleine noemen.
Door alle dingen gehoorzaamd zonder dat het dwang uitoefent,
kunnen wij het waarlijk het Grote noemen.
Daarom streeft de wijze niet naar het grote
en bereikt hij zo het grote.

35

35

qech'a' Dalajchugh
vaj DughoS qo' Hoch.
DughoS 'ej QIH SIQbe'.
yonchoH, jotchoH 'ej Qob tu'be'.
QoQmo' Sojmo' je yev lengwI'pu'
'ach mIw'a' DelmeH jatlhlu':
tlhorghHa', 'oH mummeH DuHbe'.
DabejDI' DaleghmeH yapbe'.
Da'IjDI' DaQoymeH yapbe'.
'a Dalo'DI' DanatlhmeH DuHbe'.

Hou vast aan het groot beginsel
en de gehele wereld zal toekomen;
zij zal toekomen en geen gevaren,
maar warmte, vrede en gezondheid vinden.
Muziek en lekkernijen doen voorbijgangers zich enkel ophouden;
de woorden van Tao, hoe mager en smaakloos!
Wij onderzoeken ze en onderscheiden ze niet;
wij beluisteren ze en horen ze niet.
Gebruik ze echter en ze blijken onuitputtelijk.

36

36

vay' DanupmoH DaneHchugh
DaghurnIS.
vay' DapujmoH DaneHchugh
DarachnIS.
vay' DalumoH DaneHchugh
DanumnIS.
vay' DayaHmoH DaneHchugh
DanobnIS.
mIwvam Dellu'meH jatlhlu':
wovwI' HurghmoHlu'.
letwI' HoSwI' je jey tunwI' pujwI' je.
bIQ'a'vo' ghotI' lunge'be'nISlu'.
nuvvaD wo' nuH jej
lu'angbe'nISlu'.

Om te verminderen, moet je eerst verruimen,
om te verzachten, eerst versterken,
om te slopen, eerst bouwen,
om te nemen, eerst geven.
Dit noemt men het geheim licht;
dit is hoe zacht en zwak, hard en sterk overwinnen;
dit is waarom je vissen in het water laten moet,
en scherpe wapens niet aan het volk moet tonen.

37

37

reH vangbe' mIw'a'
'ach rInbe' pagh'e'.
lupablaHchugh ta' joH je
nIteb choH wa'netlh Dol.
'ej vangqangqa'chugh bIH
vIjotmoHmeH
pong Hutlhbogh napwI' vIlo'.
Sor Hap pe'be'lu'pu'bogh rur
pong Hutlhbogh napwI'vam'e':
vay' neHbe'.
vay' neHbe'lu'chugh ngojHa'lu'.
'ej nIteb ngaDchoH chal tera' je.

Het eeuwige Tao treedt niet op
en toch laat het niets ongedaan.
Als koningen en prinsen zich aan Tao hielden,
zouden alle dingen vanzelf veranderen.
Als na de verandering zij tot optreden neigden,
zou ik hen tot naamloze eenvoud manen.
Naamloze eenvoud is verlangeloos;
verlangeloos zijn is tot rust te komen
en de wereld zou zo uit zichzelf haar vrede hervinden.

38

38

ghob pabbe' ghob nIv;
vaj ghob ghaj.
ghob bIvbe' ghob QIv;
vaj ghob Hutlh.
vangbe' ghob nIv
'ach vangmeH meq Hutlh.
vang ghob QIv
'ach vangmeH meq ghaj.
vang pung nIv
'ach vangmeH meq Hutlh.
vang ruv nIv
'ach vangmeH meq ghaj.
vang tay nIv
'ach jangbe'chugh vay'
ghaHvaD ro' 'ang 'ej HeQ ghaH 'e' raD.
vaj mIw'a' lonlu'DI' ghob tu'lu'.
ghob lonlu'DI' pung tu'lu'.
pung lonlu'DI' ruv tu'lu'.
ruv lonlu'DI' tay tu'lu'.
'Ijchu'ghach QIb neH 'oH tay'e'.
mISchoHmoH 'oH.
mIw'a' yub neH 'oH leSSov'e'.
jIvchoHmoH 'oH.
vaj botlh SubDaq ratlh nuv nIv
QIbDaq ratlhbe'.
naHDaq ratlh ghaH, yubDaq ratlhbe'.
naH'e' wIv ghaH; yub tlhapbe'.

De mens van grote deugd is zich niet bewust van zijn deugd
en daarom heeft hij grote deugd;
de mens van mindere deugd verliest zijn deugd niet uit het oog
en daarom heeft hij geen grote deugd.
De mens van grote deugd treedt niet op
en toch laat hij niets ongedaan;
de mens van mindere deugd treedt op
en er zijn dingen die hij nalaat.
De mens van grote menselijkheid treedt op zonder bijbedoeling;
de mens van grote rechtschapenheid treedt op met een bijbedoeling.
De mens van grote zedelijkheid treedt op
en wanneer de mensen niet gehoorzamen,
zal hij de armen strekken en zijn zeden opleggen.
Het is wanneer Tao verloren gaat,
dat de leer van de deugd ontstaat;
het is wanneer de deugd verloren gaat,
dat de leer van de menselijkheid ontstaat;
het is wanneer de menselijkheid verloren gaat,
dat de leer van de rechtschapenheid ontstaat;
het is wanneer de rechtschapenheid verloren gaat,
dat de leer van de zedelijkheid ontstaat.
Zedelijkheid is enkel het uiterlijk vertoon van trouw en vertrouwen,
en het begin van de wanorde;
vormelijkheid in dit bloeisel van Tao,
is het begin van de onwetendheid.
Daarom verblijft een waarlijk groot mens in het vaste
en niet in het lichte;
daarom verblijft hij in de vrucht en niet in de bloem;
daarom doet hij het ene niet en wel het andere.

39

39

tIQDI' bov naQchoH Dochmeyvam'e':
naQchoHDI' chal HuvchoH.
naQchoHDI' tera' ngaDmoH.
naQchoHDI' qa' vaQchoH.
naQchoHDI' ngech buy'choH.
naQchoHDI' wa'netlh Dol yInchoH.
naQchoHDI' chuQun wo' lughmoH.
Dotlhvam luchav naQchoHpu'mo'.
HuvchoHpu'be'chugh chal
ghaytan ghor'eghchoH.
ngaDchoHpu'be'chugh tera'
ghaytan DejchoH.
vaQchoHpu'be'chugh qa'
ghaytan taHbe'choH.
buy'choHpu'be'chugh ngech
ghaytan lunatlhchoHlu'.
yInchoHpu'be'chugh wa'netlh Dol
ghaytan Hegh.
quvchoHpu'be'chugh chuQun
ghaytan lu.
chuQun Hal chaH rewbe' motlh'e'
'ej patlh nIv mung 'oH patlh QIv'e'.
vaj "tuq HutlhwI'", "mobwI'", "tu'HomI'raH" je:
per'eghmeH pongmeyvam lo' ta' joH je.
Halchaj chaHbe''a' rewbe' motlh'e'?
batlh 'oHbe' batlh 'Iq'e'.
naghboch rur chaH neHbe'.
nagh chuS rur 'e' lumaS.

Ver terug in de tijd verkregen deze het Ene:
De Hemel verkreeg het Ene en werd helder;
de Aarde verkreeg het Ene en werd rustig;
de geesten verkregen het Ene en werden heilig;
het dal verkreeg het Ene en werd vol;
de tienduizend dingen verkregen het Ene en ze leefden en groeiden;
koningen en prinsen verkregen het Ene en werden de heersers van het rijk.
Ze zijn dit geworden door het Ene.
Als de Hemel niet aldus helder geworden was, zou hij gauw scheuren;
als de Aarde niet aldus rustig geworden was, zou zij gauw breken;
als de geesten niet aldus heilig geworden waren, zouden ze gauw verwelken;
als het dal niet aldus vol geworden was, zou het gauw uitgeput raken;
als de tienduizend dingen niet aldus tot leven en groei gekomen waren,
zouden ze gauw uitsterven;
als koningen en prinsen niet aldus heersers geworden waren,
zouden ze gauw vallen.
De eenvoud is de grondslag van de eer,
het lage de grondslag van het hoge.
Daarom noemen koningen en prinsen zichzelf wees, eenzaam en behoeftig.
Is dit niet omdat eer op eenvoud moet stoelen?
Is dit niet zo?
Voorwaar, noem elk deel van een voertuig en je hebt nog geen voertuig;
het is beter om als rotsen te klinken, dan als jade te rinkelen.

40

40

vangtaHvIS mIw'a' chegh.
QaptaHvIS mIw'a' jegh.
vay'mo' tu'lu'bogh chen wa'netlh Dol.
vay'mo' tu'be'lu'bogh chen vay' tu'lu'bogh.

De terugkeer is het gaan van Tao.
Zwakte is de werking van Tao.
Alle dingen ter wereld komen van zijn
en zijn komt van niet-zijn.

41

41

mIw'a' QoyDI' nIvbogh HaDwI'
pe'vIl 'oH pab.
mIw'a' QoyDI' motlhbogh HaDwI'
rut 'oH qIm; rut 'oH qImHa'.
mIw'a' QoyDI' QIvbogh HaDwI'
pe'vIl 'oH nuS.
'oH nuSbe'lu'chugh
mIw'a'na' 'oHbe' mIw'a''e'.
vaj jatlhlu':
Hurghlaw' wovbogh He.
HeDlaw' Duvbogh He.
gheghlaw' Habbogh He.
chImlaw' ghob nIvqu'.
nItHa'law' Dol chISqu'.
yapbe'law' ghob law'qu'.
ngaDHa'law' ghob ngaDqu'.
choHlaw' ghob teHqu'.
veH Hutlh yer tInqu'.
QIt 'ItlhchoH laH nIvqu'.
chuSbe' QoQ 'eyqu'.
Subbe' Dol pupqu'.
So' mIw'a' 'ej pong ghajbe'.
'ach Hoch taHmoH 'oH'e',
Hoch naQchoHmoH je.

Wanneer de verheven mens van Tao weet,
zal hij het aandachtig vervullen;
wanneer de middelmatige mens van Tao weet,
zal hij het maar half geloven.
Wanneer de laagste soort mens van Tao weet,
zal hij het luid uitlachen;
zou hij het niet uitlachen, dan zou het niet Tao zijn.
Daarom wordt dit alles gezegd:
het Tao is licht en lijkt donker;
het Tao gaat vooruit en lijkt terug te vallen;
het Tao is regelmatig en lijkt oneffen.
Grote deugd lijkt leeg;
grote zuiverheid lijkt onrein.
Vergaande deugd lijkt ontoereikend;
rotsvaste deugd lijkt wankel;
het meest wezenlijke lijkt veranderlijk.
Het grootste vierkant heeft geen hoeken;
het grootste bouwwerk is nooit af;
de grootste muziek heeft de zachtste klanken;
de grootste gestalte heeft geen vorm.
Tao is voor het oog verborgen en heeft geen naam;
het is enkel Tao echter, dat aan alle behoeften voldoet
en alle dingen verwezenlijkt.

42

42

wa' Dol boghmoH mIw'a'.
cha' Dol boghmoH wa'vam.
wej Dol boghmoH cha'vam.
wa'netlh Dol boghmoH wej.
Hurgh wa'netlh Dol 'o'
wovtaHvIS 'etchaj.
yIn HoS tay'moHmo' 'eychoH.
"tuq HutlhwI'", "mobwI'", "tu'HomI'raH" je:
Dotlhmeyvam muS ghotpu'
'ach Del'eghmeH permeyvam lo' chuQun.
vaj rut malujpu'mo' maQap.
'ej rut maQappu'mo' maluj.
rap paQDI'norghwIj, latlh paQDI'norgh je:
"Heghchaj bajpu' ralwI'pu'".
paQDI'norghwIj Hal 'oH vItvam'e'.

Tao veroorzaakte het Ene;
het Ene veroorzaakte de Twee;
de Twee veroorzaakten de Drie;
de Drie veroorzaakten de tienduizend dingen.
Alle dingen dragen yin op de rug en yang in de armen
en aan het evenwicht van deze twee ontlenen ze hun kracht.
De mensen willen niet wees, eenzaam of behoeftig zijn.
Toch noemen koningen en prinsen zich bij deze namen.
Voorwaar, de vermindering wordt vaak tot aanwinst,
de vermeerdering vaak tot verlies.

43

43

qo' Dol let jeylaH qo' Dolmey tun'e'.
Subbogh Dol 'ellaH Hap Hutlhbogh Dol'e'.
vaj Qap vangbe'ghach 'e' vISov.
ghojmoH jatlhbe'taHvIS,
Qap vangbe'taHvIS
'e' luta' ghot puSqu'.

Wat anderen vóór mij leerden, leer ik ook:
dat gewelddadige en woeste mensen nooit
een natuurlijke dood sterven.
Dit wordt de grondslag van mijn leer.
Het zachtste op aarde kan het hardste op aarde overwinnen.
Niet-zijn vloeit zelfs waar er geen ruimte is.
Zo weet ik van het voordeel van te handelen door niet-handelen.
Weinigen beheersen de leer, die wordt verkondigd zonder woorden;
weinigen begrijpen waarom je moet handelen door niet-handelen.

44

44

ponglIj yInlIj ghap: potlhlIjna' yIngu'!
yInlIj mIplIj ghap: lo'laHwI'na' yIngu'!
Qaplu' pagh lujlu': 'oy'moHwI'na' yIngu'!
tlhoy DaSaHchugh bIbechbej.
mIp DavI'qu'chugh DachIlbej.
bIyontaHchugh bIwebbe'.
DamevlaHchugh Qob DaSIQbe'.
vaj bItaHlaHtaH

Wat hebben wij het meeste lief, roem of ons leven?
Wat is meer waardevol, ons leven of rijkdom?
Wat is nadeliger, aanwinst of verlies?
Wie kostbare begeerten koestert, zal grote sommen verkwisten;
wie het meeste vergaart, zal de grootste verliezen lijden.
Wie tevreden is, lijdt geen beschaming.
Wie weet wanneer hij stoppen moet, loopt geen gevaar,
en zal lang behouden blijven.

45

45

Duy'law' pupchu'ghach nIv
'ach lI'taH, not QIHlu'.
chImlaw' buy'qu'ghach nIv
'ach lI'taH, not natlhlu'.
yuDlaw' yuDHa'ghach nIv.
tlhIblaw' po'qu'ghach nIv.
jatlhHa'law' jatlhlaHchu'ghach nIv.
bIrHa'choHmeH vay' vIHnIS
tujHa'choHmeH vay' jotnIS.
jottaHchugh vay' 'ej nIttaHchugh
qo' Dotlh lughmoHlaH.

Wat het meest af is, lijkt onvolmaakt,
maar zijn nut is ongeschonden;
wat het meest vol is, lijkt ledig,
maar zijn gift is onuitputtelijk;
wat het meest recht is, lijkt krom;
de grootste vaardigheid lijkt onbeholpen;
de grootste welsprekendheid lijkt gestotter.
Haastige bewegingen overwinnen de kou,
maar door je stil te houden overwin je de hitte.
Wie de grootste stilte weet te bewaren,
is in staat de wereld te regeren.

46

46

mIw'a' pabDI' qo'
Du' yotlhDaq lengmeH Sargh luvummoHlu'.
mIw'a' HutlhDI' qo'
yergho HurDaq QojmeH Sargh luSeplu'.
vay' DaneHbogh DaSuqchugh
pIchvam nIv law' Hoch nIv puS,
yap vay' Daghajbogh 'e' Datlhojbe'chugh
Duy'vam nIv law' Hoch nIv puS,
bISuq DaneHchugh
lotvam nIv law' Hoch nIv puS.
vaj yap vay' Daghajbogh 'e' Datlhojchugh
reH vay' yap Daghaj.

Wanneer Tao heerst in de wereld,
worden vurige paarden tot mestdieren;
wanneer Tao niet heerst in de wereld,
vertreden gevechtspaarden de achterlanden.
Er is geen grotere ramp dan kostbare begeerten;
er is geen grotere schuld dan ontevredenheid;
er is geen grotere zonde dan hebzucht.
Voorwaar, wie inziet dat hij zijn tevredenheid
aan de tevredenheid te danken heeft,
zal zich nimmer anders tevreden laten stellen.

47

47

qo' Hoch DaSovchoHmeH
lojmIt DaveghnISbe'.
'u' mIw DaleghmeH
Qorwaghvo' bIbejnISbe'.
Daq Hop DalengtaHvIS nuptaH SovlIj.
vaj Sov jIvHa'wI' lengbe'taHvIS,
yaj leghbe'taHvIS,
chav vangbe'taHvIS.

Je kunt de wereld kennen zonder de voordeur te verlaten;
je kunt de Weg van de Hemel zien zonder naar buiten te kijken.
Hoe verder je gaat, hoe minder je weet.
De wijze weet zonder te gaan,
noemt ongezien
en volbrengt door niet-handelen.

48

48

Hoch jaj vay' Suq Sov pabwI'.
Hoch jaj vay' chIl mIw'a' pabwI'.
vay' chIl ghaH 'ej chIltaH, tagha' vangbe'choH.
'ach vangbe'taHvIS ghaH rInbe' pagh.
qo' DacharghmeH yInISo'.
bInISchugh qo' DacharghlaHbe'.

Het streven naar geleerdheid is om te vermeerderen dag na dag;
het streven naar Tao is om te verminderen dag na dag.
Het is om te verminderen en te verminderen,
en het niet-handelen te bemachtigen.
Door niet-handelen blijft niets ongedaan;
de zaken van het rijk worden door niet-handelen geregeld,
en wie naar ingrijpen taalt, is niet in staat het rijk te regeren.

49

49

ru'Ha'choHbe' jIvHa'wI' qech.
qechDaj moj latlh nuv qech 'e' chaw' ghaH.
QaQwI'vaD QaQ
'ej QaQbe'wI'vaD QaQ.
QaQ ghob.
matlhwI'vaD matlh
'ej matlhHa'wI'vaD matlh.
matlh ghob.
yIntaHvIS ghaH, tay' qo' ghaH je
'ej Hoch lungaS qechmeyDaj 'e' chaw' ghaH.
lubuS nuvpu' mIn teS je:
puqna' Dalaw' ghaH.

De wijze heeft geen eigen mening;
de meningen van de mensen zijn de zijne.
Ik behandel goed wie goed is;
ik behandel ook goed wie niet goed is,
want zo bereik je de goedheid.
Ik ben eerlijk tegen wie eerlijk is;
ik ben ook eerlijk tegen wie niet eerlijk is,
want zo bereik je de eerlijkheid.
De wijze in het leiden van zijn rijk, heeft geen vooropgestelde mening.
Zijn gedachte is één met de gedachte van zijn volk.
Hij kijkt door hun ogen, hij luistert door hun oren
en behandelt hen als kinderen.

50

50

yIn wInejtaHvIS Hegh wItu'.
wa'maH wej yIn 'och lutu'lu'.
wa'maH wej Hegh 'och lutu'lu'.
wa'maH wej Hegh 'ochvam wIv nuv
vaj yIntaHvIS Hegh lughoSlI'.
qatlh? tlhoy yIn luSaH nuvpu'.
Qoylu'pu':
yIntaHmeH po'chugh nuv
DebDaq tangqa' vIghro''a' je ghombe'.
che'ronDaq may'luch poQbe'.
chaHDaq ghItlhmeH Daq SamlaHbe' tangqa'.
pachDaj lo'meH Daq SamlaHbe' vIghro''a'.
pe'meH Daq SamlaHbe' nuH.
qatlh? ghaHDaq HeghvaD pagh Daq tu'lu'.

De mens wordt geboren en sterft
en maar een derde deel van hem behoort tot het leven;
een derde deel van hem behoort tot de dood;
een derde deel van hem behoort tot zijn gang naar de dood.
Waarom is dit zo?
Omdat de mens aan het leven vasthoudt.
Ik heb gehoord echter, dat wie zijn leven goed behoudt,
geen tijgers of wilde buffels treft,
en in gevecht van geen wapen vlucht.
De wilde buffel kan hem niet stoten;
de tijger kan hem niet grijpen;
een wapen kan hem niet doorboren.
Waarom is dit zo?
Omdat voor de dood in hem geen ruimte is.